“Het was in de winter van 1943. We waren als gezin lopend naar de Oosterkerk gegaan. Dat wil zeggen: mijn vader en moeder, een van mijn broers, mijn zus en ik. Mijn oudste broer zat ondergedoken.
De kerk was vol. We gingen in de bank zitten waar we meestal zaten. Mijn ouders knikten naar vrienden en kennissen. Ik zwaaide naar mijn vriendin die aan de andere kant van het pad zat. Er was geroezemoes, zoals altijd wanneer de predikant de preekstoel nog niet had beklommen. Plotseling werd het stil. Een jonge Duitse soldaat in uniform was de kerk binnengekomen. Hij bleef halverwege het gangpad staan. Het was duidelijk dat hij een zitplaats zocht. Sommige mensen gingen wat breder zitten.”
“De soldaat stond naast onze bank. Mijn vader gaf ons te verstaan dat we een eindje op moesten schuiven. Hij gebaarde de soldaat bij ons in de bank te komen zitten. Ik zag dat sommigen verontwaardigd naar ons keken. Na de dienst vroeg de soldaat aan mijn vader of hij hem in contact wilde brengen met de dominee. Deze weigerde echter de jongeman te ontvangen.
Mijn vader nodigde de soldaat, die Rolph heette, uit om bij ons thuis koffie te komen drinken. Rolph voelde zich direct thuis bij ons. Elke zondag ging hij naar de kerk en dronk daarna koffie bij ons, tot het einde van de oorlog. Ik ben mijn vader nog steeds dankbaar dat hij ons heeft laten zien wat het betekent: ‘Heb uw vijanden lief.’”